TAAL / TAAL / SPROAK / SPRÅK

 

Nederlands

Frysk GrönnegersNorsk fonetisch NorskEngels

nevelig

mist

regen

voorwaarde

verlangen

verliefd

ik hou van jou

azijn

mens

zeemeeuw

zeehond (rob)

voeten

kerk

slijpsteen

ploegen

dizich

damp

rein

betingst

lengsme

fereale

ik bin fereale

jittik

minsk

sékob

robbe

foutten

tsjerke

slypstien

ploeie

dompeg

doke

regen

uutbeding

verlangst

 

 

edik

mensk

zeekoap

robbe

vout

kerke

sliepstain

plougen

disig

tåke

regn

betingelse

lengsel

forelska

eg elske deg

eddik

menneske

måke

kobbe

fotter

kirke

slipestein

pløye

diesik

toake

reign

beting´else

leng´sel

for´elske

ek el´ske dei

è´dik

mènske

moake

ko´bbe

fòtter

tsjierke

sliepestain

pleuie

 

 

Er moet nog bij gezegd worden dat veel Noorse woorden ook verbindingen
met Engelse woorden.

Soms krijg ik wel de indruk dat een begrip in het ene taalgebied
verkeerd is begrepen.

Voorbeeld:

tuin

heg

tún

hage

toene

hege

hage

hekk

hakge

hek

 

 

 

Twee woorden wil ik nog apart behandelen. Die zitten wat ingewikkeld inelkaar, maar daardoor erg interessant.
Wat denken we van het Engelse woord town = stad
Dit wordt even een reis hoor! In het Schots heet een town = tun
Hm, tun, denk ik dan. Dat ken ik in het Frysk. Maar dat is een tuin om het huis. Zeker geen stad. Het zal wel niets met elkaar te maken hebben. Ik vraag dan aan Margrethe, mijn assistente: ¨Kennen jullie ook het woord ´tun´?¨ En dan spreek ik het op z´n Frysk uit (tún). ¨Ja¨, zegt ze, ¨Dat is de ruimte tussen de huizen, dus als je bijvoorbeeld drie huizen in een driekhoek hebt, dan is de ruimte tussen die huizen de ¨tun¨ ¨.
Bliksum denk ik dan, dan hebben die Schotten wel gelijk en is er wel degelijk verband tussen het Engelse town en de Fryske tun.
Want heel vroeger had je geen steden. En als moeders vroeg waar vaders was en het antwoord was: In/Op de tun, dan zat hij aan de voorkant van het huis. Maar het dorp kreeg 4 huizen erbij, 3 huizen erbij en nog
steeds was de ruimte voor het huis de ¨tun¨. Later werd het dorp zo groot dat de hele dorp ¨tun¨ heette. En de Engelsen verstonden dat iets verkeerd of hadden een andere tongval en het werd town.

De tweede is het Noorse ¨bo¨= wonen, ¨bolig¨= woning ïnnbo¨ = inboedel (uitspraak ¨bo¨= boe)
Ik snapte daar in het begin niets van. Waar zat het aanknopingspunt.
Vorige week (begin oktober 2004) sloot ik een inboedel verzekering af.
Ik wist niet hoe dat heette, ga namelijk steeds minder voorbereid en zonder woordenboek op de mensen.
Een inboedelverzekering is een ¨innbo-forsikkring¨.
Dan gaat het lampje bij mij ook branden. Het Nederlands woord boedel is eigenlijk niets anders dan een boe-deel = bo-del op z´n Noors.
Het is een deel van de bewoning, wat je nodig heb om te kunnen wonen.
En dan komt het Nederlandse woord: ¨bouwen¨ ook meer in klaarheid. ¨bo-uwen¨ betekent in eerste instantie een huis maken. Want volgens mij zijn de eerste menselijke bouwsels woningen toch?
En misschien is er kwa uitspraak niet zoveel verschil tussen ¨bo¨en ¨wo¨, waarbij ¨wo¨ later in het Nederlands en woning werd. Een ¨b¨ kan gemakkelijk overslaan naar een ¨w¨.

Ik vind het puzzelen met woorden erg interessant. Volgens mij kun je heel wat volksverhuizingen eruit afleiden.